Er komen aardig wat vogels in onze kleine tuin, ieder jaar nestelen er merels en er zijn meesjes, een paar roodborstjes, soms duiven en kauwtjes en laatst zelfs een goudhaantje.

Aan het begin van de lente zit ik in de zon en eet een boterham. Musjes komen en gaan en ze lijken niet bang voor mij te zijn. Als ze af en aan vliegen hoor je het snelle geruis van hun vleugels. Ze tsjilpen voortdurend en vechten met elkaar voor het beste plekje bij het vogelvoer. Soms zitten ze heel stil en kijken, koppie schuin, met hun kleine oogjes naar mij. Alsof ze met mij willen praten. Ondertussen eet ik rustig mijn boterham; misschien kijken ze daar wel naar. Zij willen ook wel een stukje.

 

Lunchen wij samen?

We delen brood en zaadjes;

huismus aan tafel.