Reizend

door het landschap

van mijn geheugen:

Hoge bergen en diepe dalen

 

Groene vergezichten,

Bergtoppen in de mist

Grotten en spelonken

die ontoegankelijk geworden zijn.

 

Dorre streken,

vruchtbare grond

Bloemen in de woestenij

Oases en schaduwen van rust

 

En als spiegels in het landschap

de diepe meren

Koel en helder water

Soms verraderlijk diep

 

En iedere vallei

een nieuwe wereld

De hemel erboven

En ikzelf, oneindig klein

 

 

 

De berg ligt voor me, daar waar hij altijd ligt.

Ik loop, ik klim, ik vecht, ik ren, ik schreeuw en vloek.

Soms denk ik dat ik win.

Maar steeds als ik weer kijk, zie:

De berg ligt voor me, daar waar hij altijd ligt.

 

Er over wil ik, weg met die berg.

Hij hoort achter mij, nu zal het lukken.

Ik loop en klim en vecht en ren en schreeuw en vloek.

Nu zal ik winnen.

Uitgeput open ik mijn ogen en zie:

Onbewogen, misschien zelfs hoger, waar hij altijd ligt.

 

De berg ligt voor me, daar waar hij altijd ligt.

Klein ben ik, zoals ik altijd was.

Moegestreden, val ik neer

Ik vecht niet meer.

En kijk op.

Rotsvast ligt hij daar, mijn berg.

 

 

 

Gelopen heb ik,

De weg was lang

Tot hier gekomen

 

Over heuvels

En door dalen,

Ja, dalen diep

 

Dan weer hoger,

Hoger, telkens hoger

Uitgeput tot hier

 

Nu pas kijk ik om

En zie mijzelf

En wat ik achterliet

 

O, kon ik als water zijn

Altijd stromend

Naar beneden

 

 

Zachte grond

Onder je voeten

Je merkt het eerst niet

 

Wat moet, moet

En wat je plicht is

Moet je doen

 

Harder werken

En even doorbijten

Dan kom je er wel uit

 

Doorduwen

Volhouden, niet opgeven

Dan komt het goed

 

Doorzetten

Met al je energie

Zal het lukken

 

Zuigkracht

Hoe harder je werkt

Hoe dieper je zakt

 

 

Als iets te pijnlijk was voelde ‘k niets meer

Ik zat alleen maar en voelde mij leeg

Toch zorgde iets in ‘t leven keer op keer

Dat ik mijn energie weer terugkreeg

 

Boodschappen, huishouden, werken en zo

Lange dagen, de uren vol besteed

Elk succes vierde ik als een cadeau

Terwijl mijn falen mij natuurlijk speet

 

Mijn zielenpijn kon ik nog niet goed voelen

Die heb ik veel later nog wel verwerkt

Ik weet nu beter wat mensen bedoelen

Als ze zeggen dat pijn hen heeft versterkt

 

’t Is goed verwerkt, toch mag je best geloven:

Emotioneel laagtij brengt ’t vaak nog boven

 

 

Staande op de gladde rots

Waarop de branding beukt

Orde en chaos

Ontmoeten hier elkaar.

 

Soms wint de een

Dan de ander weer

En ik?

Ik sta hier maar.

 

Dan keer ik om

Ik heb mijn keus gemaakt

En wandel weer de wereld in

De zon schijnt, de branding beukt

Mijn geest bedaart.

 

 

‘Ik kan niet blijven’

Ze zei het zacht

Toch deed het pijn

Het was onverwacht

 

Langzaam dreef ze

Van hem vandaan

Hij zag haar drijven

Hij liet haar gaan

 

Ze keek niet om

Dreef alleen maar, weg

Naar die andere oever

Daar heeft ze aangelegd

 

Hij bleef zitten

Was weer alleen

Een eiland

Kan nergens heen

 

 

Op het meer van mijn verlangen

In de brandend hete zon

Is mijn bootje blijven hangen

 

Omdat ik niet kiezen kon

Welke richting uit te gaan

Lijkt dit nu mijn eindstation

 

Radeloosheid grijpt mij aan

Want hier wil ik toch niet sterven

Ik wil zín in mijn bestaan!

 

Als ik deze stress mijn vreugde laat bederven

Kan ik nooit meer vrij door onze wereld zwerven

 

‘k Blijf dan altijd in mijn kleine boot gevangen

Drijvend op het grote meer van mijn verlangen

 

 

Als het water stijgt

Beschermt de dijk

Het land blijft

Droog en veilig

 

Als het water beukt

En stormen razen

Dan rilt de dijk

Water tot aan de rand

 

Als het water stijgen blijft

En zelfs dijken breken

Dan verdwijnt het land

Geen grond onder mijn voeten

 

 

Groot en sterk en ook nog wijs

Aan zo’n imago hangt een prijs

Altijd afstand en controle

 

Koude huid van steen

Het woeste water

Eromheen

 

Soms blijft een kleine plas

Die weer verdwijnt, alleen

De koude blijft zoals het altijd was

 

Vlak bij ’t strand

Rots van steen

Nooit aan land